Beleidsdocumenten

Op beleidsteksten klinkt vaak kritiek. Is het niet van de opdrachtgevende chef of wethouder, dan wel – als het dan eindelijk zover is – van gemeenteraadsleden of burgers. Een goede beleidstekst schrijven is kennelijk lastig. Hoe komt dat zo?

Fases, doelen en lezers
Van eerste aanzet tot besluitvorming (door college of raad) doorloopt de tekst de verschillende fases van de beleidscyclus, waarbij doel en lezers steeds (deels) veranderen. Gaandeweg de beleidscyclus moet de tekst dus steeds weer anders.

Opening en opbouw
Lezers hebben meer te lezen. Ze willen dus snel weten waar de tekst over gaat en wat er aan hen gevraagd wordt. Dat stelt hoge eisen aan de opening en de structuur van het stuk. Wie de weg kwijt raakt, raakt geïrriteerd en leest niet verder.

Duidelijke taal
Ambtenaren en deskundigen hebben hun eigen (vak)taal, die door gewone mensen niet altijd gemakkelijk begrepen wordt. Van eigen schrijfgewoontes loskomen is lastig.

Samen schrijven
Beleidsteksten schrijf je nooit in je eentje. Collega’s, adviseurs, belanghebbenden, je chef, de wethouder, allemaal hebben ze inbreng en commentaar. Zoveel zielen, zoveel zinnen. En maar één tekst…

Een goede beleidstekst
• is afgestemd op fase en functie in de beleidscyclus
• heeft een heldere en logische structuur
• leest prettig
• doet recht aan ieders inbreng

Bewuste vaagtaal
In de politieke praktijk zijn beleidskeuzes vaak compromissen. Bij gevoelige kwesties kunnen compromissen soms alleen bereikt worden als de uiteindelijke tekst de betrokken partijen voldoende ruimte laat voor eigen interpretatie. Soms is vaagtaal nodig om samen verder te kunnen. Een vrijbrief om maar wat aan te rommelen? Nee! Om bewust iets verkeerd te doen, moet je wel eerst weten hoe het wél moet.